OUDE KONINGLYKE GILDE SINT-ROCHUS
GENT
Sint-Pietersplein 13
9000 Gent
GILDEN
Een gilde (oorspr.: bijdrage voor een feestmaal) was een vereniging van personen die een gemeenschappelijk doel nastreefden en die meestal eenzelfde beroep uitoefenden. Hoewel de naam pas sinds de 8ste eeuw bekend is, kan men het bestaan van de instelling reeds in de 5de eeuw vaststellen. De oude Germaanse gilden waren verenigingen waarvan de leden maaltijden en drinkgelagen hielden, oorspronkelijk met heidens ritueel, later met christelijk religieuze handelingen en betoon van liefdadigheid ter ere van de patroonheilige van de gilde of ter nagedachtenis van een gestorven gildebroeder. Door de middeleeuwen heen in essentie gelijk, hebben zij zich aangepast aan religieuze, sociale, economische, culturele en politieke ontwikkelingen, zodat er grote diversiteit ontstond. Naast de oude godsdienstige en caritatieve gilden, gevormd door klerken en leken, ontstonden er nieuwe in de wereld van de handel, het handwerk, de kleinhandel, de kunstenaars, de militairen, de studenten, enz.
1. Koopmansgilden
De koopmansgilden groepeerden handelaars van een bepaalde stad. Zij ontstonden in de handels- en industriecentra van Noord-Frankrijk, de Nederlanden, het Rijnland en Engeland. Vroege vermeldingen zijn o.a. bekend van Tielt (1018), Valenciennes (midden 11de eeuw) en Sint-Omaars (2de helft 11de eeuw). Zij hadden hun statuten, eigen bestuur en rechtspraak. Geschillen en overtredingen van de statuten werden berecht door de hoofden van het gild. De statuten regelden de handelsbedrijvigheid van de leden op de stedelijke markt. Op hun tochten naar vreemde markten reisden de gildebroeders in gewapende karavanen. Van de 11de eeuw af speelden de koopmanslieden een rol in het ontstaan van de stedelijke autonomie en ontwikkelden zich soms tot een orgaan van het stedelijk bestuur. Ze waren aanvankelijk democratisch, later oligarchisch, zodat handwerkers nog moeilijk lid konden worden, maar middenstanders en welgestelde ambachtslieden weden niet uitgesloten. Sommige gilden controleerden de handel met bepaalde buitenlandse gebieden en eisten, zowel van niet-leden als van gildebroeders, een recht om er handel te mogen drijven. In de 13de eeuw reeds geraakten sommige koopmansgilden in verval doordat zij hun zelfstandigheid verloren tegenover het stadsbestuur. Anderzijds stonden zij bloot aan de aanvallen van de handwerkers, die er een symbool in zagen van de economische en sociale heerschappij van de koopliedenstand. In Vlaanderen gingen ze ten onder in de democratische revolutie van ca. 1300. In gewesten waar koopmansgilden laat verschenen en hoofdzakelijk toezicht uitoefenden op de handwerkers, kwamen deze laatsten ertoe zelf binnen de gilden een actieve rol te spelen en bleven de gilden bestaan tot in de 14de en 15de eeuw.
2.Ambachtsgilden
De ambachtsgilden
waren verenigingen van handwerkers van eenzelfde of van aanverwante beroepen,
die de beroepsactiviteit van hun leden regelden. Deze handwerkers werkten
in opdracht van derden, maar vervaardigden ook goederen voor eigen rekening.
Hun verenigingen worden soms ook ambacht genoemd. De eerste sporen van dergelijke
groeperingen, die onder tal van andere namen voorkomen (artes, métiers,
crafts, Ämter), gaan in West-Europa terug tot de 11de eeuw. Over hun
oorsprong is men het nog steeds niet eens. Het volgroeide ambachtsgild doet
zich voor als een door de overheid erkende economische groepering met een
zekere graad van zelfbestuur. Zij hadden eigen hoofden die het bestuur waarnamen,
toezicht uitoefenden op de naleving van de gildevoorschriften en overtredingen
daarvan berechtten. In de meeste steden speelden de ambachtsgilden, vroeg
of laat, een actieve politieke rol in de stad en indirect ook daarbuiten.
Hun bloeitijd viel in de 14de en 15de eeuw. Reeds in de 16de eeuw begonnen
de landsbesturen hun voorrechten aan te vechten, omdat zij een gecentraliseerde
economische politiek in de weg stonden. De ambachtgilden hielden in de meeste
landen stand tot aan de Franse Revolutie.
3.Culturele Gilden
In de eerste helft
van de 13de eeuw stichtten rijke poorters van Atrecht, als gilden ingerichte
verenigingen, puys geheten en dit ter bevordering van de burgerlijke dichtkunst.
In 1280 worden er ook te Doornik vermeld. Naar hun voorbeeld ontstonden
van de 14de eeuw af in de Nederlanden broederschappen waarvan de leden zich
toelegden op het vervaardigen van poëzie en het opvoeren van toneelstukken.
Dit laatste werd in latere tijd hun voornaamste bedrijvigheid. Deze gezelschappen,
veelal rederijkerskamers genoemd, werden tegen het einde van de 15de eeuw
bekend in Holland en Zeeland. Evenals in Italië hebben de kunstschilders
in de Nederlanden zich samen met andere kunstenaars, zoals beeldsnijders
en verluchters, georganiseerd in gilden, onder het patronaat van Sint-Lucas.
Dergelijke Sint-Lucasgilden werden te Gent, Leuven, Brugge en Antwerpen
opgericht tussen 1337 en 1380 en te Dordrecht, Gouda, 's-Gravenhage en Haarlem
in de 2de helft van de 15de eeuw. Zij hebben de overdracht van de schilderkunst
van geestelijke naar lekenhanden bespoedigd. Hun archieven zijn van grote
waarde voor de kunstgeschiedenis.
4.Schuttersgilden
In de 2de helft
van de 13de eeuw verschenen in de steden verenigingen die voor de verdediging
van de stad instonden en daartoe hun leden de nodige opleiding gaven. Voor
het recruteren en oefenen van de weerbare mannen moesten aanvankelijk de
ambachten instaan, maar daarnaast voelde men sterk behoefte aan, in de krijgskunst
en vooral in het boogschieten, beter getrainde burgers. Vanaf het begin
van de 14de eeuw verleenden de steden steun aan deze groepen, die eveneens
door de adellijke heren als gilden werden erkend. Naar hun wapen onderscheidt
men handboog- en kruisbooggilden, en van het einde van de 15de eeuw af ook
kolveniers- of buksgilden. Samen met de schermersgilden, die geen vuurwapens
maar stootwapens als zwaarden en hellebaarden hanteerden, behelsde hun opdracht
behalve de verdediging van de stad ook hulpverlening bij brand of watersnood
en ordehandhaving bij troebels. Naar het voorbeeld van de stedelijke verenigingen
ontstonden in de late middeleeuwen de talrijke plattelandsschutterijen,
waarbij zich gaandeweg de evolutie van wapenoefening naar sportbeoefening
voltrok. Zowel in de stad als op het land waren de schuttersgilden intussen
diep geworteld in het volksleven en de constanten daarvan zijn niet alleen
de kleurrijke schuttersfeesten of hun aanwezigheid bij elke burgerlijke
of kerkelijke plechtigheid, maar evenzeer het grote samenhorigheidsgevoel,
de piëteit tegenover de overleden gildebroeders, de vele rechten en
privileges en het vasthouden aan traditionele bestuursvormen en gebruiken.
Na een duidelijke vervalperiode in de 18de eeuw werden de schutterijen in
Nederland van 1815 tot 1901 opgenomen in de militaire organisatie (enigszins
parallel met de burgerwacht in België). Vooral na de Eerste Wereldoorlog
werden oude gilden opnieuw opgericht.
5.Gildegebruiken
Grotere gilden bezaten meestal een gildehuis. Daar stond de gildekist met het archief, waarin de lijsten van de leden en de reglementen waren opgetekend, en de gildekeuren. De gildezittingen hadden er plaats en de gildemalen werden er gehouden, tijdens welke broeders uit de gemeenschappelijke gildebeker dronken. Schuttersgilden bewaarden in het gildehuis hun breuken. In het noorden werden voor gestorven leden soms eigen gildebaren* gebruikt. Deze baren waren veelal beschilderd met voorstellingen uit het bedrijf van de gildebroeders. Als bewijs van lidmaatschap dienden vaak de gildepenningen, meestal van koper of tin en eenvoudig van uitvoering, die genummerd waren. Ze werden vooral gebruikt om de gildebroeders op te roepen voor bepaalde bijeenkomsten, waar de penningen ingeleverd moesten worden. Wie niet tijdig zijn penning inleverde kon beboet worden